Zoeken
  • Jagritta Olthof

FATAAL LICHT

Een schel geluid doet mij opschrikken en net als ik me wil omdraaien om te zien waar de scherpe toon vandaan komt, maakt mijn bovenlichaam een schokbeweging voorwaarts. Het brandende gevoel boven mijn linkeroor doet me naar mijn achterhoofd grijpen. Meteen realiseer ik me wat er gaande is. Mijn bedreigers hebben me getraceerd en me op deze vredige plek in Lapland de rekening gepresenteerd.

Beelden van even daarvoor flitsen door mijn hoofd. Met ons vijven hadden we naast elkaar gestaan en ons vergaapt aan het noorderlicht, het spectaculairste schouwspel dat ik ooit had gezien. Hoezo, Napels zien en dan sterven, was door mijn gedachten geschoten. Wie dat had verzonnen heeft deze ontmoeting met de Goden nooit meegemaakt. De hemel had gegloeid van kleuren en het neongroene licht had zich bewogen in sluiers, dansend als een pen over het papier. Ik meende er de naam van mijn vrouw in te herkennen, had met mijn ogen geknipperd en vervolgens een blik opzij geworpen of zij het hadden opgemerkt. Maar mijn vier beste vrienden hadden in hun te krap geworden en tot de draad toe versleten half blauw, half geel gekleurde blazers van Troboval, als betoverd staan kijken naar hetgeen de hemel ze te bieden had. Inwendig had ik om deze aanblik moeten lachen. Ik had gedacht aan de resoluut uitgesproken woorden van Jasper, toen ik mijn twijfel over mijn aanwezigheid bij het uitje tegenover hen had uitgesproken. ‘Ik wil jullie niet in gevaar brengen,’ had ik ze laten weten. Jasper had zijn lievelingsmotto van de musketiers in de groep gegooid. ‘Trouw Boven Alles. Wat er ook gebeurt, kerel, wij staan naast je. Een proost op Troboval, mannen,’ had hij aansluitend gezegd. De rest had volmondig geknikt en het met een geheven bierfles onderstreept.

Het had me een gelukkig gevoel bezorgd, mijn vrienden vol aanbidding te zien kijken naar een fenomenaal lichtverschijnsel.

De kaarten liggen anders nu ik neerstort op de koude grond. Betoverend licht, wat wilde je me zojuist vertellen? vraag ik mij vertwijfeld af terwijl ik happend naar adem mijn hoofd probeer op te richten uit de sneeuw.

Aan iets denken lukt me, dus ik leef nog, denk ik opgelucht. Ondanks de warme kleding dringt een innerlijke kou mijn lichaam binnen. De kracht in mijn lijf voel ik wegebben.

‘Lieve hemel! Max!’ hoor ik Teun volledig in paniek roepen.

‘Verdorie, ik wist het, het moest een keer fout met hem aflopen,’ jammert een stem. Vaag zie ik een gezicht naast mijn hoofd dat op die van Oscar lijkt en hoor geschreeuw.

‘We moeten hier weg, de bossen in, vooruit raap hem op man, we zijn een levende schietschijf op dit open stuk.’

Intussen dwaalt mijn gedachte af naar de reden waarom ik op deze plek op aarde ben uitgekomen.


Een keer per jaar, telkens op dezelfde dagen, dompel ik me onder in de schijn van de onschuld door samen met mijn vrienden onze ‘mannen ding’ te doen. Maar altijd blijf ik op mijn hoede, tot deze keer, verblind door het spel van het licht.

Mijn vrouw en ik hadden twintig jaar geleden een pact met de duivel gesloten. We waren voor het snelle geld gegaan. Maar werken als advocaten van de maffia kende weldegelijk zijn keerzijde. Witwassen, wapens, drugs, geleidelijk aan waren we verder in deze beerput gezogen. Mijn geweten had me uiteindelijk parten gespeeld. Een weg terug werd me echter niet gegund. De dood op de loer, ik had ermee moeten leven.


Tot twee keer toe hoor ik mijn naam. Ik moet opstaan, denk ik verontrust, maar iets blokkeert mijn benen. Mijn oog valt op een steeds groter wordende donkere plek naast mijn gezicht, die lijkt te ontstaan vanuit mijn neus en langzaam een spoor trekt richting mijn ‘club van vijf’-jas, die als een soort stilleven niet ver van mijn hoofd ligt. De jas die mij al jarenlang niet meer past. Ik wil hem behoeden voor het bloed, maar mijn arm ligt bekneld onder mijn lijf.

Gesjor en getrek aan mijn lichaam doet bij mij bijna het licht uitgaan. Een tel later hang ik over de schouder bij Hein. Ik zie mijn armen bungelen langs het lichaam van mijn vriend, ze bewegen mee met elke gehaaste stap die mijn maat zet maar voelen doe ik ze niet.

‘Dit is foute boel, mannen. In godsnaam, leg mij neer en red jezelf,’ probeer ik ze duidelijk te maken, maar mijn spraakvermogen laat me in de steek.

Plotseling staan we stil.

‘Shit, de verkeerde keuze,’ hoor ik Hein mompelen. Meteen draait hij zich om en zet het op een lopen. De reden van zijn plotselinge wending wordt me duidelijk na het horen van geluid van schoten die over de sneeuwvlakte galmen. Hein strompelt nog een tijdje voorwaarts voordat hij valt. Ik beland naast hem in de sneeuw. Een oorverdovende stilte volgt. Moeizaam richt ik mijn hoofd op en zie de anderen liggen. Roerloos. De aanblik bezorgt me de rillingen. Ik kijk naar de lucht. Het poollicht maakt nog steeds z’n betoverende dansje alsof er niets is gebeurd.

Het gezicht van mijn vrouw dringt mijn geest binnen. Ze lacht breeduit. Mijn vrouw, die sinds een maand in haar eentje door Nepal trekt. ‘Ik móet het doen,’ had ze me laten weten. ‘Om met mezelf in het reine te komen.’ Uit haar laatste WhatsApp bericht had optimisme geklonken. ‘Ik sta hier bij zonsondergang op het dak van de wereld met uitzicht op de Himalaya mijn spirituele oefeningen te doen. Ik voel de bevrijding! Jij en ik, we begraven ons duistere verleden en we beginnen overnieuw.’ De tekst had ze afgesloten met een smiley.

Nog één keer kijk ik naar opzij en voel tranen branden. Troboval, mijn vriendenclub, denk ik mistroostig, tijdens het mooiste licht werd ík ons fataal.

Ik sluit mijn ogen. Op datzelfde moment zakt aan de voet van een tempel in Kathmandu door een gericht schot een vrouw ineen.


copyright: jagritta olthof

0 keer bekeken

FOLLOW ME

  • Facebook Social Icon
  • Instagram
  • LinkedIn Social Icon

© 2020 by Jagritta Olthof