Zoeken
  • Jagritta Olthof

Frank

Frank 2

Nee mensen, ik was het niet vergeten. De vraag was echter: ‘Was kleine Frank het niet vergeten?’ Om 10.05 uur gaat de bel. Hij staat er. De slaap nog in de ogen. Gekleed in een vale jeans, rood windjack, rood-wit gestreepte sjaal om zijn hals geknoopt en aan zijn voeten felblauwe laarzen. Alsof hij wist wat voor klusje ik voor hem in petto had. ‘Goedemorgen, mevrouw. Ik kom voor het karweitje.’ Zijn glinsterende ogen komen langzaam tevoorschijn uit de slaapstand. Een brede glimlach volgt. ‘Wat mag ik voor u doen?’ ‘Loop maar mee naar de waterkant,’ zeg ik en ga hem voor. ‘De boot moet in de wintertijd in de garage,’ laat ik hem weten. ‘Maar eerst moet hij schoon.’ Niet dat het jacht erg vies is, maar het gaat om het idee, flitst door mijn hoofd. ‘En jíj mag hem schoonspuiten.’ Zijn gezicht geeft zijn enthousiasme prijs. ‘Gaaf, zeg.’ Ik druk hem de tuinslang in zijn handen, nadat ik de kraan heb opengedraaid. Vol overgave zie ik hem de spuit hanteren. ‘Aan de goede kant van de wind gaan staan, Frank. Anders spuit je jezelf nat.’ Ik laat hem verder zijn gang gaan en bekijk het schouwspel van een afstandje. Na een kwartiertje komt hij naar me toe. ‘Heeft u ook een doekje?’ ‘Doekje?’ ‘Er zitten toch nog vlekken op,’ zucht hij. Ik overhandig hem een doekje. Hij staat te poetsen of zijn leven ervan afhangt. Ingespannen bezig, tong buitenboord. ‘Samen maar even de boot afdrogen?’ stel ik hem voor. Hij knikt. Voldaan staan we te kijken naar het eindresultaat. ‘De boot is nog nooit zo schoon aan zijn winterslaap begonnen, Frank. Geweldig.’ Hij straalt. Zijn bruine ogen betoveren me bijna. ‘Na gedane arbeid is het goed rusten,’ zeg ik. ‘Wat wil je drinken? Je zal wel dorstig zijn na zo’n klus?’ ‘Ja zeker. Een Cola graag.’ ‘Cola? Een Cola heb ik niet.’ ‘Niet?’ ‘Nee, van Cola word je dik,’ geef ik hem als antwoord. ‘En het doet je tanden slijten.’ ‘Huh?’ ‘Water wel?’ vraagt hij op voorzichtige toon. Ik schaterlach. ‘Ja, jongen, water wel.’ We nemen plaats op het terras. Frank hijst zich op een stoel. Zijn benen bungelen en bewegen op en neer. ‘Hoe oud ben je?’ ‘Tien,’ is zijn antwoord. ‘Dan ben je al een hele kerel.’ Zijn hele gezicht vertoont een ‘big smile.’ Tien, denk ik, gut, ik had je jonger ingeschat. Wellicht omdat hij nogal klein van stuk is. ‘Woon je ook op dit eiland?’ vraag ik hem, benieuwd naar zijn antwoord. ‘Jazeker, aan de andere waterkant.’ Wat vreemd dat je me niet eerder bent opgevallen, denk ik. ‘Moet de boot ook nog in de garage?’ vraagt hij opeens. Deze vraag zag ik niet aankomen. ‘Wil je me daar ook nog mee helpen?’ Gelukkig is de boot niet al te groot, licht van gewicht en rolt op een wieltje. ‘Ja hoor.’ En zo kwam de boot op deze mooie zondag al op zijn winterbed terecht. ‘Bedankt Frank,’ en ik overhandig hem een heitje of twintig. Hij glundert. ‘Mag ik nog eens langskomen?’ ‘Jij altijd.’ We zwaaien. Frank heeft voor altijd mijn hart gestolen.

En mochten jullie nu denken, dat heeft ze allemaal verzonnen, dan heb je het mis. Deze Frank bestaat en woont tot mijn grote vreugde op mijn eiland.

Copyright: Jagritta Olthof

4 keer bekeken

FOLLOW ME

  • Facebook Social Icon
  • Instagram
  • LinkedIn Social Icon

© 2020 by Jagritta Olthof